Het verhaal van Jan van Speijk

Hier ziet ge als Amstels weeskind staan,
Van Speyk bekend om zeldzaam daźn,
Die eerder wilde sneven,
Dan zich over te geven



Hier leert hij 't schrijven en de talen,
En wetenschappen zonder draalen;
Hij onderscheidde zich door vlijt,
En zucht naar hooge kundigheid



't Kleermaken zal hij hier gaan leeren,
Regenten konden zulks begeeren;
Dan 't zitten stond hem gansch niet aan,
Hij liet zich dus al ras ontslaan.



Dit hoopte men zou beter lukken,
Maat 't lot heeft somtijds rare nukken;
Het maaldersleven vond hij flauw,
Zijn baas ontsloeg hem dan ook al gauw


Zijn eigen keus was 't zeemansleven,
Zie hem hier als matroos begeven;
Aan boord van 't schip de Wassenaar,
Vaarwel, mijn vriend! Mijn tijd is daar.



Door goeden dienst, beleid en trouw,
Waar 't zijne plicht eens gelden zou,
Is hij reeds luitenant ter zee;
Zijn hoop is dus vervuld alree.



Van Speyk verschijnt hier met zijn boot,
En werpt gestadig 't moordend lood;
Op Antwerp's diep begroefden wal,
Hetgeen hij lang gedenken zal.



Tot loon dat hij den eersten schoot,
Met kruid en ballen van den boot;
Heeft hem de koning dus vereerd,
En met kruis gedecoreerd.



Door wind en storm en ongeval,
Zakt dicht tot onder Antwerps wal,
De kannoneerboot van Van Speyk,
Haast ligt hier zijn misvormde lijk



Eer dat Van Speyk het dulden wou,
En hij zich overgeven zou,
Vliegt hij veeleer met zwaar gerucht,
Met vriend en vijand in de lucht.



Van Speyk is dood, en in zijn lot,
Deelt menigeen van 't zeemansgenot.
Gekwetsen in groot getal;
De boot geraakt vast op den wal.



Men heeft in 't Amstels weezensticht,
Van Speyk een grafsteen opgericht.
Dit zedig marmren monument,
Vermeldt u zijn begin en end.


terug


(met de hartelijke dank aan scouting Van Speijk, Dordrecht)