Bespiegelingen
Die avond zat ik op een barkruk. Ik had teveel gedronken. Zo begint deze column,
die niet geheel naar waarheid wordt verteld. Ik zat namelijk helemaal niet in
de kroeg maar gewoon thuis en ik was niet dronken, want het was tien uur in de
ochtend toen een verwarde vrouw me belde. Ze bazelde wat en ik begreep er niets
van. Af en toe snapte ik haar wel, maar ik zei niks, want anders is het hek van
de dam. Bovendien is mijn Hongaars nou ook niet je van het, dus ik besloot het
gesprek af te kappen. Ik zei: "Nou tante Gerda," terwijl het mijn tante
Gerda niet was, maar mijn tante Romy, "ik moet er nu echt vandoor. Ik zie
de lijndienst al voor het hekje staan." Tante Romy geloofde het en hing op.
Tante Gerda zou nooit in 't smoesje trappen, want zij weet dat ik vier hoog woon
en geen hekje heb.
Dezelfde morgen raakte ik bij toeval verzeild in de boekhandel van Hendriks, voorzitter
van de middenstandsvereniging en prominent lid van de Oranjevereniging. In de
weekends speelde Hendriks voetbal bij de voetbalvereniging. De gedachte kan zich
opdringen dat Hendriks zich graag verenigt. Een stichting zou niets zijn voor
de boekhandelaar. Niets tegen de soort mensen, maar hij was een zuivere atheïst.
Hendriks, niet geplaagd door de gedachte dat hij iets stichtelijks zou moeten
nastreven, verkocht vrijelijk allerlei pornografische tijdschriften. Vreemd genoeg
lagen deze kleurrijke boekjes niet op de bovenste plank, maar op de onderste.
Omdat Hendriks niet Christelijk was, betekende omhoog reiken voor hem hetzelfde
als bukken. Gelovigen die nu wel heel ver moesten doorbuigen, klaagden steen en
been. Kinderen kwamen voor snoep of een vlakgom en zwierven een tijdje rond in
de boekhandel.
Later op de dag vroeg ik de buschauffeur mij te melden wanneer we bij halte-Tellingelaan
zijn. Ik wist namelijk dat ik er twee haltes na de Tellingelaan uit moest. Ik
ging naar de Mezenlaan. Onderweg, ik had even tijd, bedacht ik me dat het mooi
zou zijn als wij een politicus of staatsman zouden hebben die Kappe van zijn achternaam
zou heten. Door het gegoochel met de straatnamen, was ik op dat idee gekomen.
Het was een vrij vlak idee. Ik dacht: niet eens iedereen zou het doorhebben. Maar,
aan de andere kant, dat hoeft ook niet. En tegenwoordig, met al die grote ego's,
is het voor de mensen die het wel doorhebben toch iets van 'haha, dat zal niet
iedereen doorhebben'. Ho, daar was de Tellingelaan al.
Toen ik na het uitzitten van de terugreis in de keuken stond, dacht ik na over
de kleine dingen in het leven. Of zoals sommigen het zeggen: de kleine dingen
van het leven. Ooit had ik eens iemand uitgelachen en bespot tijdens een discussie.
Die zei dat geluk in de kleine dingen zit maar hij vond geluk wel een groot goed.
Dus het grote zit in het kleine. Ik vond dat niet kunnen, maar toen was ik nog
jong. Over jong gesproken: dat er licht belegen kaas bestaat, vind ik vreemd.
Raar. Zoiets als twee soorten ijs verkopen. De ene is gewoon en de andere wordt
bewaard in een vijfgradenkoeling. En dat je dan zegt: aan het eind smelt het gewone
ijs ook maar bij deze is het gewoon alvast een beetje op gang geholpen. Zo ongeveer
stel ik me dat ook voor met die kaas.
's Avonds zat ik aan mijn antieke tafel met het roodkarbonten kleed. Buiten was
het koud. Toen bedacht ik me dat mijn columns er niet beter op worden als ik tijdens
het schrijven ervan synthetische drugs gebruik.

terug