Jelle en het verwarmde voetenstoofje

In de tijd dat Friesland nog een prairie had, woonde daar Jelle Friezenga. Jelle droeg altijd een verwarmde voetenstoofje bij zich. Altijd als hij buiten was, had hij het stoofje onder zijn arm. Soms eens onder zijn linkerarm en dan eens onder zijn andere.
Op een dag ontmoette Jelle een groepje passanten die hem met zijn verwarmde voetenstoofje zagen. Een van hen riep: "Hee, jongens, moet je kijken: die man daar! Die draagt zo'n voetenstoofje, dat je kunt verwarmen!" De andere passanten zagen het ook, en begonnen allen smalend te lachen om Jelle en zijn verwarmde voetenstoofje. Ze wezen naar het stoofje, vervolgens naar hun voorhoofd, en zeiden: "Die is gek!"
Een van de passanten bitste daarop tegen Jelle: "Joh man, hee! Je loopt hier rond met een voetenstoofje dat je kunt verwarmen!"
Jelle bleef rustig onder alle commotie. "Ja," sprak hij met trots in zijn stem, "dit is inderdaad een voetenstoofje. Dit is het voetenstoofje van ironie."
De groep passanten verstilde. Niemand zei nog wat, en het leek zelfs wel alsof ze voor een ogenblik versteend waren. De schaamte was hen van de kaken af te lezen. Ze hadden immers zojuist het voetenstoofje van ironie bespot en besmoezeld.
Even keek het groepje -met een berouwvolle blik in de ogen- naar Jelle. Jelle keek terug. Het was Jelle die het ijs brak. "Het is al goed," sprak hij, "laat ons allen een klokje Beerenburg drinken in de gindse herberg". Opgelucht van zoveel opwinding toog het groepje, onder aanvoering van Jelle en zijn warme voetenstoofje, naar de gelagruimte. En Jelle? Die keek om en knipoogde, zoals Wiske dat altijd doet aan het eind van een verhaal, in een ovaal met zo'n zwart kadertje eromheen waar 'einde' in staat.



terug