In het dorp waar ik ben opgegroeid heeft de helft van mijn leeftijdgenoten
met de duivel te maken gehad. Ik ook. De gedaante die zich aan ons heeft geopenbaard,
kwam uit Zweden en was juf van klas drie. Iedereen moest erlangs, of je wilde
of niet. Haar reputatie was zo gevreesd dat briljante kinderen hun stinkende
best deden, in de hoop een klas over te kunnen slaan. Haar klas. Wat het schoolbestuur
destijds heeft bezield is me tot op de dag van vandaag een volkomen raadsel.
Ik hoor het de hoofdmeester nog zeggen: kinderen, dit is de nieuwe juf voor
het komende jaar. Ze komt uit Zweden, maar kan goed Nederlands. Ze heet Annika
Bengtsfors maar dat vertelt ze zelf wel. Juf Annika, zoals wij dachten haar
te mogen noemen, knikte vriendelijk en nadat de hoofdmeester het lokaal had
verlaten, blies ze een briesje over de hoofden van alle kinderen. Heel zacht;
het zag eruit alsof ze een toverspreuk bezegelde. Sinds dat moment hebben zes
kinderen in mijn klas permanent last van een stijve nek, die reikt tot hun hakken.
Meteen daarna begon ze met rekenen en ik zweer het: haar sommen waren opgebouwd
uit kleine botjes die ze in de vorm van cijfers op het bord kraste. Met een
krijtje? Hel nee, met haar kalknagels! Het maakte een allesvrezend geluid en
iedereen was bezig zijn of haar oren te beschermen. Ik had de gum van het kopje
van mijn potlood gebroken, doormidden gebeten en in mijn oren gestopt. Na die
daad voelde ik me net zo onmachtig als iemand die tijdens een dijkdoorbraak
een kleed achter de voordeur legt om het water tegen te houden en het tot bovenaan
de trap ziet misgaan. Bovendien kriebelde de gummetjes en kreeg ik ze er met
geen mogelijkheid meer uit. Ze moet het hebben doorgehad, want ze lachtte terwijl
ze de som uitlegde. Als je haar hoorde praten, geloofde je onmiddellijk dat
het Zweedse alfabet alleen uit hoofdletters bestaat.
Rechts van mij had iemand twee knikkers in zijn oren geduwd en de inventieve
zoon van de slager had stukjes vleeswaar tot bolletjes gekneed. De prijswinnende
bloedworst van zijn vader had een grove structuur, daar was men in het dorp
zo dol op, maar bleek dientengevolge volkomen ongeschikt. Bij ieder getal brokkelde
zijn geimproviseerde verdedigingswal verder af. Klasgenootjes die hem opmerkten
en niet beter wisten, dachten dat hij zich nooit waste. Het besef dat het een
kwestie van zelfredzaamheid was, kwam pas nadat we zagen dat hij de gevallen
stukjes met spuug natmaakte en terug in zijn oren duwde.
In het speelkwartier heb ik vergeefs geprobeerd de gummetjes uit mijn oren te
peuteren maar toen juf Bengtsfors zich over me heen boog om te vragen wat ik
zoal aan het doen was en waarom ik niet meedeed met de rest van de kinderen,
was ik toch wel blij. De onwelriekende zwavellucht die uit haar poriën
op me neerdaalde, werd deels teniet gedaan door het aardbeienkarakter van de
chemische stukjes vlakgom die ik vanuit mijn oren rook. Twee kinderen, die even
daarvoor door de nieuwe juf waren aangesproken, lagen met ademhalingsproblemen
naast het klimrek. Hoe kon het dat haar collega's, nota bene onze lieve juffen
en meesters, nergens last van hadden? Was dit een grap? Was het een test? Waren
wij dan zo slecht? We pijnigden onze kinderhoofdjes maandenlang met vragen.
Een van mijn klasgenootjes, niet toevallig eentje met constante pijn in zijn
nek, had in de week voor de duivel in ons dorp arriveerde in het gangetje achter
de kerk met een spuitbus van zijn broer The Jam op de muur gespoten, ik was
er zelf bij, maar dat was toch geen reden om onze hele klas op te zadelen met
deze helse verschijning? En waarom had ik (Dr.Tiff met vilstift op de prullenbak
van het schoolplein) dan nog niks?
Afijn, met de komst van A. B. uit Z. had de duivel zich voorgoed in mijn jeugd
genesteld. Juf Annika, die ik tijdens mijn adolescentie pas bij de voornaam
durfde te noemen, zij het fluisterend en in de betrekkelijke geborgenheid van
mijn eigen slaapkamer, deed me sidderen. Het gevoel dat de duivel me heeft gespaard,
is nog altijd een wonder. Ik heb geen hoofdpijn, ben niet op het vmbo beland
en heb geen kwalen overgehouden aan de ontmoeting met mijn Zweedse juf, behalve
het ontbreken van een vriendin, maar het zou onterecht zijn haar dat gemis in
de schoenen te schuiven. Bovendien deed juf het juist heel aardig in de masturbatiecarrousel.
Zo eens per dag kwam ze langs, hetgeen in wezen een straf van God was, zoveel
is ondertussen helder.
Het is haast wel duidelijk wat de duivel van me wil. Ik zou de tobber, de twijfelaar,
de denker worden. Ik moet anderen lastig vallen met meningen die even inwisselbaar
zijn als die van de dames Meurs, Van Dam en Heetenbreij. Ik zal onnoemelijk
veel tijd opeisen, zuigen, schmieren en scoren. Ik zal mensen zinnen laten lezen
als: "ik vind je leuk, maar sinds ik met je gevreeën heb, ruiken mijn
handen naar vroeger, toen ik eens een tennisbal uit de put had gehengeld."
Ik denk nog dagelijks aan de duivel en vertel het met genoegen aan anderen.
TERUG