Druppel

“Ik zal je eens haarfijn uit de doeken doen in wat voor buurtje ik ondertussen leef. Het is hemeltergend. Die van hiernaast, die is niet goed snik. Dat komt, zegt zij, door die van dáárnaast, maar daar is op zich niks mis mee. Die is gewoon erg op zichzelf en hardhorend. Ja, en dan gaat er wel eens een wekker iets te lang af, ja, maar dat domme geschreeuw daarover van die van hiernaast, dát is pas storend. Zij denkt dat de hele wereld van haar is, ze pikt de hele galerij in. Overal staan dozen met oud papier, lege flessen, ze drinkt aan de lopende band, en die chemokardoos, of hoe heet dat ding voor je bussen haarlak en batterijen enzo, nou die van haar dus, die staat gewoon ook op de galerij. Dat kan toch niet? Er spelen hier kinderen en die slikken dat in of ze stoken fikkie. Is laatst gebeurd met die lui van de overkant. Dat is me toch een asociale club, niet mooi meer zeg. Maar ja, ik hou me gedeisd want tegenwoordig is het niet handig om er wat van te zeggen, hè. Als die jongens worden tegengesproken, dan staan er in een mum van tijd vijftig van die gasten op je stoep. Daar hebben ze duidelijk geen last van onderbezetting en drukke werkzaamheden, zoals bij de politie. Want die komt pas na een half uur, als je geluk heb. Als je nog leeft, zeg maar.
Maar goed, dat zijn incidenten, hè, die van hiernaast, dat is de hele tijd een probleem. Volgende week komen er aan de andere kant nieuwe mensen te wonen. Je houdt je hart vast. Ben ik nu al doodsbenauwd van. Als hiernaast ook al van die nare mensen komen, dan houdt het wat mij betreft op. Ik ben niet eens meer bang voor de dood. Ik zeg wel eens: als je slaapt dan weet je ook niet dat je leeft. Laatst was dat nog op de televisie. Die mensen zeiden ook: ik ben niet bang, hoor, als ik ga dan ga ik.”
- "Zo. De kraan lekt niet meer, mevrouw. Ik moet weer verder. O, en nog een gelukkig nieuwjaar, hè.
"Ja jongen, dat kon er ook nog wel bij. Een lekkende kraan. Stapeldol werd ik van dat gedrup."

TERUG